Bewoning door kraakwacht tijdens uitzending is geen terbeschikkingstelling van woning aan derden

De Hoge Raad oordeelt dat een woning een eigen woning blijft gedurende de tijd dat de eigenaar in het buitenland verblijft en de woning door een kraakwacht wordt bewoond.

Een vrouw heeft met haar gezin tot 1 september 2007 in een eigen woning gewoond. Op die datum is zij met haar gezin in het kader van een tijdelijke uitzending door haar werkgever verhuisd. Op 1 april 2010 is ze teruggekeerd in de woning. De woning, een rijksmonument, is door de ligging en vanwege haar ouderdom braak- en kraakgevoelig. Ter voorkoming van inbraak in en/of kraak van de woning is in de periode van uitzending een student als kraakwacht aangesteld. Hij heeft een logeerkamer op de eerste etage van de woning betrokken. Gedurende de uitzending naar het buitenland is de woning door de vrouw en haar echtgenoot, mede vanwege werkzaamheden ten behoeve van haar werkgever, meerdere keren gebruikt.

Ingevolge artikel 3.111, lid 6, van de Wet IB 2001 kan een woning die door de belastingplichtige niet als hoofdverblijf wordt gebruikt, en die hem voorheen als eigen woning ter beschikking heeft gestaan, onder bepaalde voorwaarden toch als eigen woning worden aangemerkt. Een van die voorwaarden is dat de woning niet aan derden ter beschikking wordt gesteld.

Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de bewoning door de kraakwacht kan worden aangemerkt als een bewoning ten behoeve van de vrouw. Van een terbeschikkingstelling van de woning aan derden in de zin van artikel 3.111, lid 6, letter a, is onder die omstandigheden geen sprake, aldus het Hof.
De staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof cassatieberoep ingesteld.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat de woning niet aan de kraakwacht ter beschikking is gesteld in de zin van 3.111, lid 6, van de Wet IB 2001.