Noodzakelijkheid BOF aan de kaak gesteld

Een bedrijfsopvolgingsfaciliteit die een vrijstelling van 75% biedt, zou al voldoende kunnen zijn om het bedrijfsopvolgingsproces bij familiebedrijven te ondersteunen. Dit stelde drs. Renate de Lange op het Nationaal Congres Familiebedrijven op 8 april 2016. Ook andere dan fiscale aspecten spelen immers hierbij een rol. 
 
Tijdens het congres hield De Lange een lezing waarbij onder meer de noodzakelijkheid van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) als waarborg voor de continuïteit van het familiebedrijf aan de orde kwam. Vanwege het grote belang van familiebedrijven voor de Nederlandse samenleving is een goede opvolging van familiebedrijven ook van belang voor de samenleving, aldus De Lange. Ondanks het oordeel van de Hoge Raad van 22 november 2013 dat de BOF geen verboden discriminatie vormt, is deze faciliteit onder politieke druk komen te staan. De Lange wijst erop dat veel Europese landen een regeling kennen die te vergelijken is met de BOF. Een versobering van de BOF zou dan ook de concurrentiepositie van Nederland kunnen schaden. Aan de andere kant zou volgens haar een vrijstelling van 75% misschien al voldoende kunnen zijn. 
 
Forcerende voorwaarden
Bovendien is het bestaan van de BOF niet doorslaggevend bij de beslissing om over te gaan tot bedrijfsopvolging, zo stelt De Lange. In de praktijk wil de ondernemer zelf bepalen wanneer hij overgaat tot bedrijfsopvolging. Een ander probleem rond de BOF is dat ondernemers soms onder wat geforceerde omstandigheden een dienstbetrekking of samenwerkingsverband aangaan met de beoogde opvolger. Dit om maar te voldoen aan de voorwaarden van de BOF. Overigens kan een ondernemer zijn zaak ook gewoon tegen een zakelijke prijs verkopen aan zijn opvolger(s). Schenkbelasting blijft dan buiten beschouwing, aldus De Lange.