Verhuur van een pand is niet het drijven van een onderneming

In december 2004 is de vader van belanghebbende overleden. Zij en haar pleegmoeder waren ieder voor de helft erfgenamen. Haar pleegmoeder is in 2007 overleden. Belanghebbende is enig erfgenaam van de nalatenschap van haar pleegmoeder. Belanghebbende doet een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit voor de aandelen in de beheer bv. De activiteiten van de beheer bv bestonden uit de verhuur van een pand. Het hof is van oordeel dat deze activiteit niet kan worden aangemerkt als het drijven van een onderneming, zodat de aandelen in de vennootschap niet onder de bedrijfsopvolgingsfaciliteit zijn te brengen. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat deze beperking van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met Europese regelgeving omdat daarin geen omschrijving is gegeven van het begrip 'materiële onderneming'. De bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en leidt niet tot discriminatie.

Toelichting:
Gezien de omvang van de vrijstelling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, voor de erfbelasting  € 1.028.132 (2013) is fiscaal van groot belang of er sprake is van ondernemingsvermogen. Het exploiteren van vastgoed wordt in beginsel niet als ondernemingsactiviteit gezien zodat er  voor het onroerend goed sprake is van beleggingsvermogen wat niet in de vrijstelling kan delen.
Het is dus van belang te weten wanneer exploitatie van onroerend goed wel als onderneming kwalificeert. Dat kan het geval zijn bij projectontwikkeling en het zelf verrichten van werkzaamheden. Het uitsluitend verrichten van onderhoud in een pand is onvoldoende om te spreken, indien er extra waardetoevoegende activiteiten worden verricht zoals schoonmaak en bewaking kan er wel sprake zijn van een onderneming. Naar verwachting zullen de komende jaren meer uitspraken als bovenstaande volgen waardoor duidelijk wordt wanneer onroerend goed als ondernemingsvermogen en wanneer het als beleggingsvermogen wordt gezien.